Een AED is een apparaat dat een stroomstoot toedient aan een slachtoffer met kamerfibrillatie. Er zijn verschillende typen AED's maar ze hebben allemaal hetzelfde bedieningsprincipe.
De elektrische prikkels die het hart afgeeft, worden opgevangen door de AED middels twee zelfklevende elektroden. Als een stroomstoot noodzakelijk is, wordt deze via dezelfde elektroden afgegeven. Het is dus van belang dat de elektroden op de juiste plaats zitten om een goede ritme-interpretatie en effectieve stroomstoot te bevorderen.
Zorg dat u bekend bent met het gebruik van de AED in uw omgeving. De leverancier zal specifieke productinformatie meeleveren met de AED.
Iedere week krijgen 200 mensen in ons land tussen de 20 en 75 jaar buiten het ziekenhuis een plotselinge hartstilstand. Deze levensbedreigende situatie heeft een acute circulatiestilstand tot gevolg en leidt binnen enkele minuten tot onherstelbare beschadigingen van hersencellen, omdat de zuurstofvoorziening stopt. Vaak is een hartinfarct de oorzaak van een hartstilstand. Ventrikelfibrillatie is in de eerste minuten van de hartstilstand de meest voorkomende ritmestoornis (60-80%).

Wat is ventrikelfibrillatie?

Bij een ventrikelfibrillatie staat het hart in feite niet echt stil, maar heeft meestal een ongecoördineerd chaotisch ritme zonder enig effect op de pompfunctie. Er vindt dus geen circulatie plaats. De enige behandeling van dit ventrikelfibrillatie is defibrilleren. Defibrilleren is het toedienen van een of meerdere elektroshocks met een defibrillator die ervoor zorgen dat het hart weer in zijn normale (sinus-) ritme komt.

In afwachting van de komst van dit apparaat, aanwezig in ambulances, is directe reanimatie van het slachtoffer door omstanders van het allergrootste belang. De hartslag en ademhaling blijven zo kunstmatig in stand en het hart is beter in staat op de defibrillatie te reageren. Naar schatting zijn er jaarlijks ongeveer 7.000 reanimatiepogingen buiten het ziekenhuis. De meeste slachtoffers vallen thuis (70 – 80%). Succes percentages van reanimatie worden (inter)nationaal verwoord als 'levend ontslag uit het ziekenhuis'. Kijkend naar ons land, dan blijkt uit onderzoek in Amsterdam en Maastricht, dat 13% van de gereanimeerden levend het ziekenhuis verlaat.

Welke rol speelt tijd bij ventrikelfibrillatie?

Snelle defibrillatie biedt de allerbeste overlevingskansen. De protocollen geven als richtlijn dat binnen 5 minuten gedefibrilleerd dient te worden. Iedere minuut uitstel van defibrillatie betekent dat de overlevingskans met 10% afneemt. Men zegt ook wel dat elke drie minuten later defibrilleren leidt tot een halvering van de overlevingskans.
Ter illustratie:
- defibrilleren binnen 5 minuten geeft een overlevingskans van 72%,
- defibrilleren na 5-12 minuten na het intreden van een circulatiestilstand geeft een overlevingskans van 20%.

De wettelijke aanrijdtijd van een ambulance is in Nederland 15 minuten, bij een reanimatie blijkt de aankomsttijd van de ambulance gemeten vanaf het ontstaan van de circulatiestilstand gemiddeld tien minuten te zijn. Het is niet realistisch te verwachten dat deze aanrijdtijd wezenlijk zal afnemen, terwijl dat voor een snelle defibrillatie wel zou moeten. 
Om het tijdsinterval tussen het moment van de hartstilstand en defibrillatie te beperken heeft men onder andere in Amerika en Engeland 'First responders' getraind en uitgerust met een Automatische Externe Defibrillator (AED). First responders zijn niet medisch geschoolde personen die door de aard van hun werkzaamheden vaak als eerste bij een slachtoffer zijn. Zij zijn meestal minuten eerder op de plaats des onheil dan de ambulance. Die minuten zijn van levensbelang bij een circulatiestilstand wanneer elke seconde telt. In Seatlle is uit onderzoek gebleken dat door de inzet van de first responder de overlevingskans is verdubbeld tot 30%. De AED is een computer die zelf vaststelt of er sprake is van ventrikelfibrillatie. Is er geen ritme voor defibrillatie aanwezig zal de AED ook geen opdracht geven tot defibrillatie. In de praktijk worden eerst bij een patiënt diepe bewusteloosheid en circulatiestilstand vastgesteld, daarna wordt de AED geopend en ingeschakeld. Een stem uit het apparaat begint te spreken. De hulpverlener handelt vanaf dat moment uitsluitend volgens de instructie van de AED.

Wat doet een AED?

De eerste opdracht is het aanbrengen van de twee plakelektroden op de borstkas van de patiënt. Dan volgt de opdracht de patiënt 'los te laten' zodat de AED het hartritme storingsvrij kan analyseren. Als er ventrikelfibrillatie is, laadt de AED op en krijgt de hulpverlener de opdracht te defibrilleren door een meestal oplichtende rode knop in te drukken. Deze analyse en shockopdracht kunnen zich als dat nodig is enige malen herhalen. De AED registreert de verrichtingen en het gesprokene, zodat evaluatie van elk gebruik van de AED plaatsvindt. De AED stelt geen diagnose, maar geeft uitsluitend bij een ventrikelfibrillatie of bij een ventriculaire tachycardie boven de 200 slagen per minuut opdracht een elektroshock af te geven en is dus 'nutteloos' bij andere afwijkingen van het hartritme zoals een asystolie. De AED geeft in dit laatste geval de opdracht aan de hulpverlener om te reanimeren.